Skip to content →

Hoe ik de overstromingen in Zuid-Limburg op afstand meebeleefde

“Hoi mam! Mam? Hoe is het daar nu?”
“We moeten acuut het huis verlaten. Ik heb nu geen tijd Niek. Geen tijd nu. We moeten..”
“Mam? Mam? MAM?!”

Ik hoor dat mam haar telefoon weglegt maar nog niet heeft opgehangen. En nu schiet voor het eerst sinds 24 uur échte totale paniek door mijn hele lijf. Wat en hoe kan ik op afstand in godsnaam iets doen?

Een dag eerder was ik in Utrecht met een aantal collega’s voor een teamdag. Ik zat zó in de meeting en de aansluitende roofvogelworkshop dat het nieuws over de overstromingen in Zuid-Limburg nog niet helemaal tot mij doordrong. Ik werd via de familie groepsapp wel op de hoogte gehouden maar kon niet constant alles meteen lezen. “Het water staat al bij ons in de straat. Nog geen 50 meter van onze voordeur,” zei mama ‘s middags aan de telefoon. In het doorgestuurde filmpje zag ik de stoep onder water staan.

Vanaf het moment dat de teamdag voor bij was, heb ik met mijn telefoon in mijn hand geleefd. Ik volgde het nieuws op de voet en las meteen al mijn inkomende berichten. Behalve steeds vragen hoe het gaat, kon ik niks doen. Ik voelde me zo stom. Zo machteloos. Wat gaat de tijd ontzettend langzaam als je in afwachting en onzekerheid leeft. De avond kroop voorbij, hoewel mijn collega bij wie ik bleef slapen, er alles aan deed om mij gerust te stellen. Wat een schat.

Rond 23:00 uur zei ik tegen mijn ouders dat ik toch ging slapen. Als er een noodgeval was, moesten ze me bellen want ik zou mijn WiFi uitzetten. Mijn telefoon stond op geluid. Een uur later werd ik gebeld. Shit, hartverzakking. “Hoi Niek, met mam. Onze straat moet evacueren”. Bam, ik was in één keer weer helemaal wakker. Ik wilde naar huis. Gewoon daar zijn bij mijn ouders. Samen spullen naar boven verplaatsen. Samen alles meemaken. Gewoon samen zijn.

Mijn ouders hebben die nacht besloten om toch te blijven. Er waren schijnbaar inbrekers actief. Mijn beste vriendin had samen met haar moeder wel het huis verlaten. De één veilig, de ander voor mijn gevoel niet. Er speelden zich allemaal doemscenario’s af in mijn hoofd. Ik maakte me zo veel zorgen dat mijn hart ervan brak. Dat was het enige wat ik kon. Zorgen maken op afstand. Vreselijk. Onrust gierde door mijn lijf en toch ben ik in slaap gevallen. Vraag me niet hoe.

Ik werd wakker met het bericht dat er die avond niks was gebeurd. Opgelucht van de spanning, begon ik samen met mijn collega aan de werkdag. Ik was weer kalm. Mam en pap waren de spullen in huis weer laag aan het zetten en mijn beste vriendin ging bij haar thuis buurten en een dutje doen. Om 13:50 uur belde mama me weer omdat er een gat in de dijk was. “Niet schrikken hè Niek. Maar het gaat om een dijk bij Marleen.” Marleen, mijn beste vriendin. “Ik krijg haar niet te pakken en haar moeder haar ook niet.” En weer gingen mijn gedachtes met me aan de haal. Weg kalmte.

Na 10 minuten bel ik mam weer. Ze zei dat iedereen acuut het dorp moet verlaten. Ik hoor de paniek in haar stem. Mijn paniek bereikt een hoogtepunt. Ik moet naar huis. Nú. Ik klap mijn laptop dicht en word naar het station gebracht door mijn collega. Twee uur zit ik in de trein richting ‘het rampgebied’. Ik ben eindelijk even alleen en probeer toe te geven aan mijn gevoelens. Er zit verdriet. Verdriet om mam en pap, om Marleen, ons huis, ons dorp.

Als ik in Maastricht aankom, pikt mijn broertje me op. Ik weet inmiddels dat iedereen veilig uit huis en uit het dorp is. Mijn broertje en ik willen langs het dorp om te checken wat de stand van zaken is. Nu het dorp leeg is, komen er ook minder updates. Wonder boven wonder, kunnen mijn broertje en ik zo het inmiddels verlaten dorp in rijden. We rijden langs huizen waar de kelders al worden leeggepompt en zien het fietspad onder water staan. Ons huis staat droog.

Er rijdt een politieauto rond die omroept dat iedereen het huis moet verlaten. Helikopters vliegen over. De brandweer en politie rijden met sneltreinvaart door onze straat. De dreiging van het water heerst nog steeds. En toch voel ik me als een kapitein die zijn zinkende schip niet mag verlaten. Er belt een agent aan die uitlegt dat het blijven op eigen risico is. Ik moet mijn BSN-nummer voor de zekerheid doorgeven. Na een kwartier neemt mijn verstand het gelukkig over. Het is onverantwoord en niet netjes naar alle hulpverleners toe om te blijven.

Samen met mijn broertje rijden we het dorp uit, niet wetend hoe we het zullen aantreffen als we weer naar huis mogen. Ik heb inmiddels contact gehad met Marleen. Zij en haar moeder zijn veilig bij een vriendin. Met iets minder zorgen, rijden mijn broertje en ik naar mijn ouders die bij vrienden mogen overnachten. Ze staan ons al buiten op te wachten: nog in hun pyjama en chillkleren van afgelopen nacht. Ik omhels ze en alles is goed.

Published in Dear Diary

Be First to Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.